Seks deden we ooit anders. Foucaults geschiedenis van de seksualiteit

0 Flares 0 Flares ×

Michel Foucault behoort tot de meest geciteerde filosofen in de sociale wetenschappen en humanistiek. Hij is vooral binnen gender- en seksualiteitsstudies toonaangevend. Met zijn Geschiedenis van de seksualiteit, bestaande uit vier delen, zet hij het denken over seks op zijn kop. Vorig jaar verschenen de eerste drie delen in een nieuwe vertaling. Ze zijn terecht opnieuw vertaald, omdat de cultuur die Foucault beschrijft niet veroudert, maar simpelweg voortgaat. Hij toont met dit werk een manier van denken over seks die voor vandaag relevant is en waarmee je de wereld anders kunt zien.

Tekst: Gert Jan Roskammer

Een geschiedenis van seks

Als we de titel analyseren, brengt deze ons tot twee conclusies: Foucault gaat spreken over een verleden tijd, en in dit geval zal deze scherpgesteld zijn op menselijk gedrag, ons seksueel handelen. Foucault gebruikt de literatuur van de oudheid om een geschiedenis te vormen en deze te verbinden aan het hedendaagse denken over seks. Tot zover is de opzet eenvoudig. Met het woord ‘seksualiteit’ maakt Foucault de situatie echter ingewikkelder. In het verleden leidde het zelfs tot uitspraken als ‘Geschiedenis van de seksualiteit gaat niet over seks’.

Hoewel deze uitspraak hip klinkt, is dat niet het geval. Het verhaal gaat daadwerkelijk over seks – en het is belangrijk om seks niet uit het oog te verliezen. Het is waar dat Foucault seks gebruikt om machtsstrategieën te openbaren, en dat hij de nadruk op gezag vaak vasthoudt om zijn stellingen te kunnen ondersteunen. Seks is echter niet van het boek te scheiden; het is de spil waar het om draait. Door seks centraal te zetten in een historisch onderzoek ontdekken we dat we seks niet als een eenzijdig concept kunnen opvatten. Dat terwijl belangenorganisaties, de psychiatrie, de wet en uiteindelijk de maatschappij, die daardoor beïnvloed worden, die eenzijdigheid liever wel uitdragen.

Seksualiteit

Dat het boek niet exclusief over ‘seksualiteit’ zou gaan klopt echter. Seks en seksualiteit zijn voor Foucault geen synoniemen. In het eerste deel, De wil tot weten, verklaart Foucault zich niet zo bezig te houden met ‘seksualiteit’. Ons denken over seksualiteit is namelijk bijzonder jong en ligt niet op hetzelfde raakvlak als het denken over seks in een ver verleden. Het feit dat het woord ‘heteroseksualiteit’ dertig jaar na het woord ‘homoseksualiteit’ in geschrift verschijnt in de Engelse taal spreekt boekdelen. Het is volkomen logisch om afwijkend gedrag eerst te benoemen; de status quo behoeft geen introductie. Pas zodra we de afwijking herkennen, erkennen en hevig ter discussie stellen, is er een impuls om een alternatief in het leven te roepen. Foucault beschrijft dit proces, maar anders dan je zou verwachten.

Hierin ligt de kracht van Foucault: hij schetst de situatie zonder een oordeel uit te spreken

Hij stelt namelijk dat de biechtcultuur – die is overgenomen uit de katholieke cultuur – rondom seks zich vanaf de achttiende eeuw concentreert op de seksuele periferie. We spreken daardoor niet minder over seks, zoals te verwachten bij de zogenaamde preutse victorianen, maar meer. Het onderwerp seks maakt daarbij een ommezwaai. Voorheen lag het accent nog op het bevorderen van ‘goede’ seks: een monogaam bestaan van man, vrouw en als gevolg kinderen. De aandacht verschuift naar ‘foute’ seks: seks buiten het huwelijk, met hetzelfde geslacht, of met minderjarigen. Als gevolg ontwikkelt zich een machtssysteem dat mensen naar ‘perversie’ indeelt. Hier ontstaat ‘seksualiteit’.

Deze nieuwe fascinatie met ‘foute’ seks begint vervolgens door te schemeren in het woord en de wet. Tot op de dag van vandaag is ons uitgangspunt dat seksuele voorkeur een intrinsiek deel uitmaakt van identiteit. Die lijkt deel te zijn geworden van onze natuur, en het loslaten van dit deeltje identiteit lijkt voor velen dikdoenerij en vaag geneuzel. Schouder aan schouder met Foucault zul je zien dat seks zich niet zo eenvoudig laat vaststellen.

Om deze gedachtegang op te wekken nodigt Foucault ons in het eerste deel, De wil tot weten, uit om stil te staan bij ons huidige referentiekader over seks. Hij schetst het verhaal van landelijk Frankrijk in de negentiende eeuw: een man wordt wegens zijn handelingen met minderjarige meisjes het onderwerp van psychiatrische evaluatie en de machtige arm van de wet. Zijn ‘perversie’ wordt het onderwerp van de taal. Foucault zoekt hiermee het extreme op, want met zijn woorden kan hij nog steeds rekenen op onze verontwaardiging.

Hierin ligt echter de kracht van Foucault: hij schetst de situatie zonder een oordeel uit te spreken. Hij verkondigt het seksuele handelen, de reactie van de maatschappij en het gevolg van deze sociale dynamiek. Hij doet geen emotionele uitspraken over het mislukken van het rechtssysteem, de omstanders of de betrokkenen. Wij hebben vervolgens de keuze om mee te gaan met ons huidige referentiekader over seks en seksualiteit, of ons erbuiten te zetten en de kans te nemen om de situatie te bevragen. De wil tot weten is daarmee meer dan enkel leesvoer. Het is een oefening die haar vragen impliciet stelt.

In het verleden deden we het anders

Na deze revelatie zet Foucault in de volgende twee delen, Het gebruik van de lusten en De zorg voor zichzelf, zijn zinnen op de oudheid. Hiermee begint hij zijn onderzoek naar de evolutie van ons denken over seks sinds het oude Griekenland. Foucault schetst hiermee een andere realiteit dan we gewend zijn.

Uit het onderzoek van Foucault wordt duidelijk dat wat wij over de seks in het oude Griekenland denken te weten vaak een moderne generalisatie is. Wanneer je in een museum erotische graveringen in een beker ziet, en hoort dat seks ongestoord deel uitmaakte van de omgeving, slaat de fantasie makkelijk op hol. De Grieken zullen het wel constant over seks hebben gehad, het constant overal gedaan hebben, met wie of wat dan ook onder de blote hemel.

Toch blijkt de werkelijkheid anders. Foucault legt overzichtelijk uit hoe de Grieken dachten, namelijk middels een spectrum van seksuele uitingen. De sociale wet die hieruit voortvloeit duidt op een optimale vorm van seks, die zich baseert op leeftijd en kans op voortplanting. Het een heft het ander echter niet op: de hiërarchie van seks bepaalt een seksueel streven, maar verbant de alternatieven niet. Als resultaat spreken we niet over een ‘perversie’ die je absoluut moet laten, maar over een veelvormige seks als onderdeel van het menselijk bestaan.

In deel drie, De zorg voor zichzelf, maakt Foucault een sprong naar de Romeinen. Bij de Romeinen ontwikkelt zich een nauwer beeld over seks. Het spectrum aan seksuele mogelijkheden begint te vervallen, en er komt een duidelijker onderscheid tussen optimaal en alternatief. De maatstaven bewegen zich naar monogamie, man-vrouwrelaties en de tijdelijkheid van de knapenliefde. Deze grenzen, die bij de Grieken nog onder voorwaarde te overtreden waren, beginnen zich te vormen naarmate het volk zich steeds meer bekommert om het individu. Er vindt een evolutie plaats, naar een maatschappij die dichter bij ons staat. Een maatschappij die seks als ingeworteld deel van het zelf ziet.

Daarmee zijn deel twee en drie een logisch gevolg op De wil tot weten. Nadat Foucault ons doet stilstaan bij onze verklaringsdrang rondom seks en het individu, toont hij een denken dat niet volledig van ons vervreemd is. Seks is nog steeds rechtelijk bepaald, al dan niet strafrechtelijk, en wordt nog steeds gezien vanuit het oogpunt van een ‘menselijke natuur’. Daarentegen staan deze vormen van denken over seks ver genoeg af van ons huidige denken, juist omdat er geen wettelijke bepalingen omheen zijn gebouwd, en omdat diverse seksuele uitlatingen een kans op bestaan krijgen. Met De zorg voor zichzelf verbindt hij de ideeën van Het gebruik van de lusten met een problematiek die vandaag ook nog speelt: de opkomst en de gevolgen van één goede vorm van seks, die maatschappelijk voorrang krijgt.

Een incompleet verhaal

In 1984 gaf Foucault, vlak voor zijn dood, het tweede en derde deel uit. Of dit tijdstip grote invloed heeft gehad op de kwaliteit van deze delen, is giswerk. Na een overtuigend eerste deel en overzichtelijk tweede deel valt het derde deel ietwat tegen. Omdat Foucault dezelfde onderwerpen van het tweede deel weer aankaart met een iets andere invalshoek, vallen het tweede en derde deel snel samen. Daarnaast lijkt het, naarmate het derde deel vordert, minder op een geheel en meer op een collectie observaties die hij beter had kunnen samenvoegen. De delen worden alsmaar langer, wat wellicht een symptoom van dit probleem is.

Een vierde deel, in 2018 voor het eerst uitgegeven in het Frans, bleef na zijn dood in de archieven achter; de wereld moest het doen met een incompleet verhaal. Het vierde deel betreft de vroegchristelijke periode, een belangrijk puzzelstuk gezien Foucaults nadruk op de katholieke biechtcultuur in De wil tot weten. Ook zijn deel twee en drie geschreven naar aanleiding van Foucaults onderzoek naar de vroegchristelijke periode, waardoor het ontbreken van deel vier nog problematischer is. Hierdoor voelde het einde van deze bundel wat leeg aan en eindigen we met een overvloed aan vragen. De hoop is dat deze leegte gevuld kan worden wanneer deel vier, De bekentenissen van het vlees, aankomende november in Nederlandse vertaling verschijnt. Ik tel de hele zomer af.

Michel Foucault, Geschiedenis van de seksualiteit. Vertaald door Jeanne Holierhoek. Amsterdam: Boom Uitgevers, 2018.

0 Flares Twitter 0 Facebook 0 Google+ 0 LinkedIn 0 0 Flares ×

Reageer