Hier ben ik!

0 Flares 0 Flares ×

Een indrukwekkende en fijn geschreven ontdekkingsreis door de filosofie van persoon en identiteit eindigt in een conclusie waar nog meer vragen uit voortkomen. De recensent wacht met smart op antwoord.

Tekst: Marthe Kerkwijk

Het is misschien wel de eerste filosofische vraag die een mens zich stelt: ‘Wie ben ik?’ Ben ik mezelf als ik dronken ben of handel uit wanhoop? Wanneer kun je met recht zeggen: ‘ik was mezelf niet, ik was buiten mezelf’? Monica Meijsing kreeg met deze vraag te maken toen ze een operatie onderging. Iemand diende haar narcotica toe, zei ‘welterusten’, en het volgende moment opende ze haar ogen in de verkoeverkamer. Tussen het ‘welterusten’ en het openen van de ogen lag in werkelijkheid echter drie uur. In die drie uur lag Meijsing, of in elk geval haar lichaam, op de operatietafel. Maar was zij het wel die op de operatietafel lag? Ze kon zich er immers niets van herinneren.

‘Persoon’
Dit herkenbare scenario is het vertrekstation van Meijsings zoektocht door de filosofie van persoon en identiteit. Met een heldere vertelstijl navigeert ze moeiteloos van haar ervaring op de operatietafel (of beter gezegd: de afwezigheid van die ervaring) naar klassieke vragen als ‘heb ik een lichaam of ben ik een lichaam?’ en antwoorden op die vraag van bekende denkers als Descartes en Locke. In slechts enkele hoofdstukken brengt Meijsing de lezer op de hoogte van de geschiedenis van het begrip ‘persoon’ van Oudheid tot moderne tijd en maakt ze het probleem van het lichaam-geestdualisme voelbaar. En dat is slechts het begin. Steeds teruggrijpend op empirische studies van mensen bij wie het verband tussen lichaam en geest problematisch is geworden door neurologische afwijkingen, duikt ze al snel de diepte in. Alle mogelijke kanten van het filosofische debat over de vraag wat iemand tot een persoon maakt – en onder welke omstandigheden iemand een en dezelfde persoon is door de tijd heen – bespreekt ze zorgvuldig. Tot slot komt ze tot de conclusie dat er geen metafysische standaard is aan de hand waarvan we kunnen beoordelen of een wezen een persoon is, maar dat een menselijk wezen met een reeks fysieke en mentale kenmerken de status van persoon krijgt toebedeeld door andere personen. Door opgenomen te worden in een gemeenschap van personen wordt een mens een persoon. Pas als we door een ander aangesproken worden als tweede persoon verkrijgen we die status. Pas als een andere persoon ons aanspreekt kunnen we zeggen ‘hier ben ik’. ‘Persoon’ is dus, volgens Meijsing, een moreel concept en niet een metafysisch concept. Er is geen sluitende definitie, geen set bepalende voorwaarden, aan te wijzen waarmee we kunnen bewijzen dat iets onomstotelijk een persoon is. ‘Persoon’ is eerder een soort eretitel die we aan elkaar toewijzen. Zoeken naar fysieke of mentale kenmerken die ons tot een persoon maken is dan ook, volgens Meijsing, tot mislukken gedoemd.

Zoeken naar fysieke of mentale kenmerken die ons tot een
persoon maken is volgens Meijsing tot mislukken gedoemd

 

 

Urgente filosofie
Hoewel ik op die conclusie wel wat heb af te dingen, is dit een van de beste boeken die ik dit jaar heb gelezen. Zelden lees je zo’n gedetailleerd, zorgvuldig uitgewerkt argument in een schrijfstijl zo soepel dat het leest als een thriller. Toch is het zeker geen makkelijk boek. Meijsing verwacht van haar lezer dat deze een hoge mate van complexiteit kan verdragen en, na een korte uitleg, met vaktermen kan omgaan. Haar verdienste is dat ze hierin slaagt. Ze neemt de intelligentie van haar lezer serieus door haar genuanceerde academische onderzoek nergens te vereenvoudigen. Toch is Waar was ik toen ik er niet was een publieksboek. De toegankelijkheid bestaat uit de helderheid van haar proza. Elke stap in haar denkproces volgt op natuurlijke wijze uit de voorgaande. Ondanks de jargondichtheid hoeft de lezer geen enkele zin een tweede keer te lezen om het te begrijpen. Bovendien is de urgentie die Meijsing zelf heeft gevoeld bij het schrijven van het boek goed voelbaar. Telkens wanneer ze het raadsel opnieuw formuleert, wil je weten hoe het verder gaat en snel doorlezen naar de volgende pagina, hopend op een antwoord op je brandende vragen. De vraag ‘wat is een persoon?’ is mateloos fascinerend en Meijsing weet die fascinatie goed te voeden. Niet alleen is het onderwerp fascinerend en haar schrijfstijl plezierig, Meijsing heeft ook grondig onderzoek gedaan. Niet alleen de relevante filosofen van Plato tot Dennett passeren de revue, maar ook een indrukwekkende reeks internationale psychologen en neurowetenschappers heeft Meijsing voor de gelegenheid goed gelezen. Kortom: niet alleen is het een fascinerend en goed leesbaar boek, je steekt er ook nog een heleboel van op.

Een vraag die om antwoord vraagt
Er is echter een punt dat wat mij betreft nog wat onbevredigd is achtergebleven. Meijsings conclusie dat ‘persoon’ geen metafysisch maar een moreel concept is, dat menselijke fysieke en mentale wezens deze ‘eretitel’ kunnen verkrijgen door erkenning als zodanig door andere personen benadrukt terecht het sociale karakter van dit soort lastige concepten, maar geeft geen antwoord op juist die uiterst interessante vragen die ontstaan in de grensgebieden van zulke erkenning. Hoewel Meijsing een goed hoofdstuk besteedt aan het bestaan van zelfbewustzijn bij dieren – een bijzonder boeiend hoofdstuk, overigens – ontkent ze in haar conclusie dat niet-menselijke dieren met vergelijkbare fysieke en mentale kenmerken als persoon erkend kunnen worden. Keizer Caligula, die zijn paard Incitatus tot consul benoemde, wordt belachelijk gemaakt. Goed, misschien terecht, maar Meijsing beantwoordt haar vraag ‘was dat paard daarmee een persoon geworden?’ met ‘dat zou ik niet willen zeggen. We kunnen [het toekennen van persoonsstatus] wel degelijk fout doen.’ Maar is het fout om dieren de status van persoon toe te kennen? Dat blijft voor een groeiende groep filosofen de vraag (een vraag die overigens niet identiek is aan de vraag of je paarden tot consul zou moeten benoemen). Hetzelfde geldt voor andere niet-menselijke wezens, zoals robots. Wanneer hebben we goede gronden om robots of dieren of buitenaards leven als personen te bestempelen? Dat is nu juist een urgente vraag waar Meijsing geen antwoord op geeft. Ze erkent dat mensen foutief een niet-persoon voor een persoon kunnen aanzien, maar wat als we met z’n allen per abuis een persoon de erkenning als zodanig blijven ontzeggen? In haar voorstel, waarbij we pas een persoon kunnen worden als we door andere personen als zodanig worden erkend, schuilt het gevaar van onderdrukking door de status quo. Volgens Meijsing weten we het simpelweg niet in dit soort grensgevallen en is er dus geen eenduidig goed of fout bij het toekennen van persoonsstatus. Wat in elk geval wel fout is, is een menselijk wezen bij voorbaat uitsluiten, voegt ze daaraan toe. Maar waarom het menselijke zo relevant is, blijft een raadsel. Het idee van niet-menselijke personen is inmiddels niet meer zo nieuw in de filosofie. Juist wanneer ‘persoon’ een moreel concept is, en niet een kwestie van metafysica, wordt het toekennen van die status een moreel-filosofisch vraagstuk dat om een antwoord vraagt. Ik hoop dat Meijsing in haar volgende boek op die vraag een antwoord geeft en dat op net zo’n mooie manier presenteert als in dit boek. Dan ga ik dat zeker lezen. Ik kijk er nu al naar uit.

Monica Meijsing, Waar was ik toen ik er niet was, Nijmegen: Uitgeverij Vantilt, 2018.

0 Flares Twitter 0 Facebook 0 Google+ 0 LinkedIn 0 0 Flares ×

Related Posts

9200000090629707

Een filosofische detective

9200000085930768

Politiek als waagstuk

9200000090629715

En nu?

Para-doxale column: Lovecraft

Reageer