Een filosofische detective

0 Flares 0 Flares ×

Met enige trots kondigt Hans Dooremalen op zijn website Descartes in Amsterdam aan als zijn ‘eerste roman’. Moet het ons verheugen dat er nog veel zullen volgen?

Tekst: Frans Jacobs

We kennen Dooremalen als een in Tilburg werkzame wetenschapsfilosoof die, vaak samen met Herman de Regt, nuttige publicaties heeft gewijd aan allerlei onzin. Het begon met Wat een onzin!, waarin ze pseudowetenschappelijke theorieën ontmaskerden, en recent hebben ze hun kritische neus gestoken in wat ze het ‘snapgevoel’ noemen, de neiging die we allemaal hebben om pure nonsens voor zoete koek te slikken. Heel nuttig werk allemaal, maar ook een beetje prozaïsch, en ik kan me indenken dat Dooremalen nu wel eens iets meeslepends wilde schrijven. Dat werd dus een in 1634 in Amsterdam gesitueerde detective, waarin Descartes, die daar toen woonde, zijn tanden zet in een ingewikkelde moordzaak. Descartes lost haar op met zijn beroemde ‘methode’.

Een bezwaar
Daar doemt meteen het eerste bezwaar op dat ik tegen dit boek heb: die ‘methode’ van Descartes behelst geen regels met behulp waarvan je greep krijgt op zoiets concreets als de vraag wie daar aan het moorden is geslagen, maar geeft eerder uitdrukking aan een paar verstandige richtsnoeren die je bij het zoeken naar antwoorden in acht dient te nemen. Kort gezegd, we moeten volgens Descartes nooit iets voor waar aannemen waarvan we niet zelf de waarheid op evidente wijze inzien. Heel juist, maar die instelling geeft eerder uitdrukking aan de houding die een verstandige en gewetensvolle wetenschapper steeds in acht moet nemen dan dat ze je helpt bij het oplossen van concrete problemen. Trouwens, de parmantige manier waarop Descartes hier voortdurend zijn methode etaleert, doet denken aan Poirot, die bij Agatha Christie met onverholen trots op de werking van zijn grijze cellen wijst.

Wat er goed aan is
Maar voordat ik verderga met schimpscheuterig commentaar, wil ik ook iets positiefs zeggen over het boek. Het is om te beginnen een aardig idee om filosofie nu eens niet uit te dragen in de vorm van taaie uiteenzettingen, maar van een sappige moordpartij. Dooremalen heeft ook duidelijk research   gepleegd over het 17e-eeuwse Amsterdam. Dat hij zorgvuldig te werk is gegaan valt alleen al af te lezen van de naam Djakarta die in het boek voorkomt. Ik dacht altijd dat die naam is bedacht toen de Indonesiërs van Batavia afwilden, maar Wikipedia heeft mijn snapgevoel ondermijnd: ook voor de komst van de Nederlanders heette die stad daar zo, en dus gebruikt Dooremalen die naam terecht. Ook de sfeer van Amsterdam weet hij goed te treffen, zodat de lezer het aangename gevoel heeft met een teletijdmachine in 1634 te zijn beland en over de grachten te wandelen. Dat het er in vroeger dagen vreselijk kon stinken, blijft dan wel weer onvermeld. Het is bovendien vaak een feest van herkenning wanneer er mensen opdagen die de lezer ook al kent uit geschiedenisboekjes of van straatnamen; bewoners van de Grote Bickersstraat, van de Dapperstraat of van de Valckenierstraat kunnen hun hart ophalen. Het valt te waarderen dat Barlaeus en Vossius een sympathieke rol krijgen toebedeeld terwijl de Utrechtenaar Voetius een tamelijk onguur type blijkt te zijn. Tenslotte zit ook de plot van het verhaal ingenieus in elkaar, en het is een genoegen om te zien hoe de oplossing van het raadsel zich ontvouwt. Je kunt dus zeggen dat in dit belangrijke opzicht Dooremalen zijn doel heeft bereikt.

Nog een paar bezwaren
Problematisch is dat het verhaal vaak wordt onderbroken voor uiteenzettingen over van alles en nog wat. We krijgen te horen wat de strijd tussen de Gomaristen en de Arminianen inhield, wat voor afschuwelijks de predestinatieleer behelst, Descartes mag uitweiden over zijn Cogito ergo sum, we krijgen het dilemma van de gevangenen in de maag gesplitst, enzovoort. Het toppunt hiervan is wel dat wanneer Descartes tegen het eind van het boek in de Vierschaar een verdedigingsrede mag houden ten gunste van onterecht van moord beschuldigde vrouwen, hij daarbij eerst bladzijdenlang zijn methode uit de doeken doet (p. 227vv.), met soms letterlijke citaten uit de Discours de la méthode.

De lezer heeft het aangename gevoel
met een teletijdmachine in 1634 te zijn beland

 

Het meest heb ik me nog gestoord aan het houtenklazerige gehalte van Dooremalens proza. Vele zinnen doen clichématig aan. Bij iedere bezoek krijgen we weer te horen dat er handen worden geschud en dat men mag gaan zitten. Van Baerle deelt mee dat hij als volgeling van Aristoteles meent dat de deugd in het midden ligt (p. 88). Descartes doet uitspraken als deze: ‘Ik zeg natuurlijk niet dat het zo is, maar willen we deze zaken oplossen, moeten we alle relevante kwesties kennen’ (p. 70) en ‘Laten we inderdaad uitgaan van een schatting, en niet van absolute zekerheid. Dat kunnen we immers nooit’ (p. 140v.). Ja, dat is wel zo.

Filosofie en literatuur
Dit boek staat in een inmiddels al vrij lange traditie waarvan De naam van de Roos van Umberto Eco misschien het hoogtepunt vormt. Waarom was het combineren van filosofie en literatuur daar geslaagd? Je kon het boek van voor tot achter lezen als een detective en hoefde je daarbij niet met filosofie (bij Eco een combinatie van middeleeuwse filosofie en semiotiek) bezig te houden. Maar desgewenst kon je het evenzeer van voor tot achter waarderen als een filosofisch werk, dat aangenaam verluchtigd werd door een goed lopend en goed geschreven verhaal. Bij Dooremalen staan de twee elkaar wat in de weg. Als je wilt weten wie het gedaan heeft, word je het slachtoffer van Dooremalens behoefte om de docent uit te hangen. En als je meer zou willen vernemen van zijn wijze lessen, word je opgezadeld met een detective die wel goed in elkaar zit, maar niet best geschreven is.

Hans Dooremalen, Descartes in Amsterdam. Filosofische detective, Amsterdam: Boom uitgevers, 2018.

0 Flares Twitter 0 Facebook 0 Google+ 0 LinkedIn 0 0 Flares ×

Related Posts

9200000085930768

Politiek als waagstuk

9200000090629715

En nu?

9200000086112276

Hier ben ik!

Para-doxale column: Lovecraft

Reageer