Column René ten Bos: Sommer

0 Flares 0 Flares ×

“We vinden het vanzelfsprekend dat er boeken zijn waarin grottekeningen staan afgebeeld. Maar zou de auteur van zo’n boek niet eerder moeten zeggen: ‘Het spijt me, maar afbeeldingen van deze grottekeningen kan ik op deze pagina’s niet leveren, omdat de wanden waarop deze tekeningen zich bevinden zo krom zijn?’ Waarom zegt hij dat niet? Waarom blijft hij niet beeldabstinent?”

Dit citaat is afkomstig uit het boek Von der Bildfläche. Eine Archäologie der Lineatur van de Duitse filosoof Manfred Sommer. De vraag, die de inmiddels 71-jarige filosoof stelt, is een simpele: hoe kan het dat schijnbaar willekeurige kleuren en lijnen afbeeldingen worden? Dat kan alleen maar omdat ze op gladde oppervlakken worden aangebracht. Die gladde oppervlakken komen in de natuur niet voor, maar ze worden door mensen sinds het neolithicum gecreëerd. Op landbouwgronden krast de ploeg zijn littekens in de vlakke aarde en op muren, doeken en papier tekenen en schrijven de mensen echte en gefantaseerde werelden bij elkaar. Sommers boek leest als een ontdekkingsreis door het twee-dimensionele landschap dat we voor onszelf gecreëerd hebben.

Probleem: hebben mensen alleen maar op gladde oppervlakken getekend of hebben ze ook op kromme oppervlakken getekend? Sommer ontkomt dus niet aan een discussie over prehistorische grottekeningen, want daar lijkt het alsof mensen aan het tekenen en afbeelden zijn geslagen op wanden die niet vlak maar krom zijn. Dat ontkent Sommer niet, maar hij wijst wel op een “groteske wanverhouding”: het geringe aantal mensen dat die afbeeldingen daadwerkelijk in die grot heeft gezien en het veel grotere aantal mensen dat kopieën van die afbeeldingen in boekwerken over prehistorische kunst ziet. De echte tekeningen mogen de meesten van ons niet zien, omdat adem en licht die tekeningen langzamerhand laten verdwijnen. Die grottekeningen hebben daarom een dubbel soort bestaan: een ‘onderaards’ bestaan op de plek zelf waar ze om zichtbaar te zijn onzichtbaar moeten blijven en een ‘bovenaards’ op beeldschermen, projectiemuren of boekpagina’s. In dat ‘bovenaardse’ bestaan worden die grottekeningen ook nog eens mooier gemaakt dan ze eigenlijk zijn. Ze worden zo helder en onderscheiden afgebeeld dat het oorspronkelijke bijna een soort ruwe schets lijkt van de bovenaardse kopie. Het is, verzucht Sommer, alsof die oorspronkelijke tekeningen er al die duizenden jaren op gewacht hebben om in boeken en powerpoints geactualiseerd te worden. De kopie is door media de werkelijkheid de baas. Plato zou zich in zijn graf omkeren.

De kopie lijkt perfecter en volmaakter te zijn dan het origineel. Oorzaak: dat origineel bevindt zich niet op een vlakke ondergrond. En dan hebben we het nog niet eens over de schimmige omgeving van de grot waar maar weinig licht binnendringt. Sommer vermoedt dat een en ander samenhangt met de manier waarop wij kijken: we zien de dingen alsof ze netjes en vlak zijn. “De wijze waarop we feitelijk zichtbare dingen waarnemen, is eenzijdig, oppervlakkig, op een enkel aspect gericht.” Natuurlijk, we zijn niet gek. Als we boom zien, dan zien we een soort grillig oppervlak, maar we weten op hetzelfde moment dat daar nog meer te zien is. Wat we onmiddellijk zien, is dan vaak slechts een aanduiding voor iets wat daar nog achter te zien is. We springen altijd van aspect naar object. We weten dat het waargenomen object in feite de belichaming is van alle mogelijke aspecten die het heeft. De eenzijdigheid, waarmee een ding zich in eerste instantie presenteert, staat altijd in de context van de veelzijdigheid ervan. Als we dus het vermoeden hebben dat de kopie in het boek mooier is dan het origineel in de grot, dan komt dat omdat het origineel geen aspect-karakter heeft en dus geen context kan krijgen. Dat is ook wat Sommer bedoelt als hij zegt dat het origineel als het ware onzichtbaar blijft. Het dringt zich niet op als een plat vlak, iets wat de kopie ervan wel kan.

Alles gaat dus om de achtergrond waarop een afbeelding geprojecteerd is. Voor filosofen is dan de vraag interessant hoe zich dit verhoudt tot de beroemde schaduwen in Plato’s grot. Ik laat het bij deze opmerking van Sommer: “Alles wat hij over de grotwand heeft te zeggen, zegt Plato ook, namelijk niets.”

0 Flares Twitter 0 Facebook 0 Google+ 0 LinkedIn 0 0 Flares ×

Related Posts

queeste naar goed werk

Een queeste met perspectief

Aaron Surfend surfen met sartre

Even flow

De Zinmakers high res

Over nut en waardigheid

Paridon, Marlou van 2018 (5) Socratisch-gesprek-voor-beginners (3)

Het socratisch gesprek als houding voor werken en leven

Reageer